Ik confronteer haar met het effect dat dat heeft op mij, de ander, en de manier waarop ze zichzelf saboteert en de pijn herhaalt. Ze knikt en bevestigt dat ze het kent. Er komen tranen in haar ogen en zegt: maar het doet zo’n pijn om te voelen.
Het rebelse deel in haar komt omhoog en zegt: ik wil die pijn niet voelen, ik wil vrolijkheid, plezier, liefde, warmte, veiligheid, geen moeilijk gedoe.
Haar innerlijke systeem verzet zich, door haar te laten voelen: er was vroeger genoeg gedoe, kou, onveiligheid en onvoorspelbaarheid: dat nooit meer!
Dan zegt ze: maar ik wil hier zo graag vanaf! Het anders doen.
Kies er eens een voor het rebelse deel, nodig ik haar uit. Ze pakt een poppetje en geeft het een plek op de tafel. En nu een voor het verdrietig deel. Ze zet het verdrietige deel naast het rebelse deel. Ze vertelt dat ze beide delen goed kent maar dat deze delen onderling weinig contact hebben. Dan vraag ik haar het blije deel ook een plek te geven op tafel, die zet ze voor het verdrietige deel. Ja, zegt ze, zo zit het: het blije deel beschermt het verdrietige deel en als het blije deel even weg is, komt het rebelse deel er voor staan.